Gebarentaal
De Nederlandse Gebarentaal (NGT) is een gebarentaal die in Nederland wordt gebruikt in de communicatie onder doven en tussen doven en horenden.
Een gebarentaal is een visueel-manuele taal, waarin begrippen en concepten door middel van gebaren in een driedimensionale gebarenruimte worden weergegeven. Het is een spontaan, natuurlijk gegenereerde taal met een eigen lexicon en grammatica, ontstaan als gevolg van de gezamenlijke communicatiebehoefte van een groep (in veel gevallen prelinguaal dove) mensen.
De internationale index van talen onderscheidt 121 gebarentalen van dovengemeenschappen en 3 van horende gemeenschappen. Veel landen of regio's kennen hun eigen gebarentaal, die los staat van de gesproken taal van de horende mensen. Voorbeelden van landelijke gebarentalen zijn NGT (Nederlandse Gebarentaal), VGT (Vlaamse Gebarentaal) en ASL (American Sign Language). Daarnaast kunnen er ook regionale varianten bestaan, die vergelijkbaar zijn met gesproken dialecten.
Omdat gebarentaal geen kunsttaal als Esperanto is,
bestaat er niet één universele gebarentaal. Al bestaan er met Gestuno en Signuno wel pogingen die te
ontwikkelen. Bij internationale contacten worden ASL of Gestuno vaak als de lingua
franca gebruikt.
Historie
In de verdrukking
In 1880 werd tijdens een internationaal congres van dovenonderwijzers in Milaan besloten, onderwijs aan doven te geven volgens de 'orale methode': leerkrachten moesten tijdens de les gewoon praten tegen de dove kinderen zonder gebaren te gebruiken. Dit omdat men vond of dacht dat gebaren slecht zouden zijn voor de ontwikkeling van dove kinderen. Gebarentaal werd op veel dovenscholen sinds dit congres wereldwijd streng verboden. Wie gebaren maakte, kreeg soms zelfs lijfstraf. Doven gingen daarom stiekem gebarentaal gebruiken buiten het zicht van de docenten en begeleiders. Deze overtuiging heeft er echter toe geleid dat doven in studies weinig vooruitgang konden boeken en zelden een hoog opleidingsniveau haalden.
Gebarentalen werden vaak omschreven als een soort pantomime of het maken van plaatjes in de lucht. De werken van de Nederlandse taalkundige Bernard Tervoort in 1953 en de Amerikaanse taalkundige William Stokoe in 1963 zijn belangrijke mijlpalen in de erkenning van gebarentalen als echte, natuurlijke talen. Stokoe toonde aan dat gebaren zijn opgebouwd uit een aantal bouwstenen (elementen die op zichzelf niets betekenen) die volgens bepaalde regels met elkaar gecombineerd worden tot grotere gehelen zoals gebaren en gebarenzinnen. Bij hersenonderzoek is ook gebleken dat gebarentaal van dezelfde hersengebieden gebruik maakt als gesproken taal.
Huidige situatie
In 1979 werd op een congres besloten dat gebarentalen toegestaan zijn. Na een periode waarin de gebarentaal algemeen geaccepteerd raakte, zoals ook te zien is bij voordrachten, speeches en televisie-uitzendingen die door een gebarentaal sprekende tolk begeleid worden, is er in het begin van de 21e eeuw een periode aangebroken waarbij ouders van dove kinderen gaan twijfelen of het aanleren van gebarentaal nog wel nodig is. Dit komt door de opmars van het cochleair implantaat waarbij een zeer geavanceerd gehoorapparaat op heel jonge leeftijd onder de schedel van het kind wordt ingeplant. Veel ouders van dove kinderen hebben al te hoge verwachtingen over wat dit technische hulpmiddel aan het verstaan en gebruiken van gesproken taal onder doven kan toevoegen. Zij denken dat hun kind en dus ook zijzelf hierdoor zonder gebarentaal zullen kunnen (leren) communiceren. Resultaten van het gebruik van dit implantaat op langere termijn worden nog afgewacht. Er is een duidelijke verbetering van het gehoor waarneembaar, maar het effect op de spreektaalverwerving moet over een langere periode worden bestudeerd, waarbij men beslist een onderscheid moet maken tussen doofgeboren, doof geworden en slechthorende kinderen. Daarnaast zal het nog steeds moeilijk zijn om een conversatie te volgen met meer personen. Voorlopig is het dus zeker nog aan te raden om dove kinderen "tweetalig" te laten opgroeien: zowel met liplezen (ook spraakafzien genoemd) als met gebarentaal. CI-gebruikers noemen zichzelf CI-gebarentaalgebruiker als ze gebarentaal blijven gebruiken. De term gebarentaalgebruiker wordt de laatste tijd steeds vaker gebruikt om te benadrukken dat niet alleen doven maar ook horenden (vnl. familie en beroepsmatig betrokkenen) gebarentaal gebruiken.
Grammatica
Omdat gebarentaal niet auditief maar visueel is, heeft de grammatica van gebarentaal de unieke eigenschap dat zij driedimensionaal is opgebouwd. In gebarentaal bepaalt de ruimte veel meer de betekenis, terwijl in gesproken taal de woordvolgorde een dominante factor is. De bij grammatica gebruikelijke zin en zinsontleding wordt bij gebarentaal ‘ruimte’ en ‘ruimteontleding’. Verbuigingen en vervoegingen in gebarentaal vinden op een essentieel andere manier plaats dan in de gesproken taal. Qua woordvolgorde heeft gebarentaal meer overeenkomsten met Japans dan met Nederlands. Gebarentaal kent, net als bijvoorbeeld het Russisch, geen lidwoorden.
Opbouw van gebaren
De opbouw van gebaren heeft zowel invloed op de morfologie (woordbouw) als de syntaxis (zinsbouw) van gebarentaal. Dit laatste omdat de mogelijkheid van ruimte en
beweging informatie aan een woord kan toevoegen, die in gesproken taal met een
apart woord in de zin moet worden omschreven.
In de opbouw van de gebaren
kunnen vijf elementen worden onderscheiden:
- de plaats voor of op het lichaam waar het gebaar wordt gemaakt;
- de handvorm;
- de richting waarin de handpalm en de vingers wijzen;
- de beweging die de handen maken (bijv. draaiend, op/ neer, slaand/ strijkend);
- het non-manuele deel (lipbeweging, gezichtsuitdrukking of lichaamstaal).
Een gebaar kan met één hand of met twee handen worden gemaakt. Ook de volgorde van de gebaren is bepalend voor de betekenis. Deze volgorde komt niet noodzakelijkerwijs overeen met de volgorde van de gesproken taal. Gebarentaal wordt vaak ondersteund door de lipbewegingen van gesproken woorden; dit staat in relatie tot het door veel doven gebruikte liplezen en is vaak maar niet noodzakelijk een onderdeel van gebarentaal (zie ook: Nederlands met Gebaren)
Localisatie
Een bijzondere grammaticale constructie van gebarentaal is het toewijzen van een plek in de ruimte aan een persoon, dier, voorwerp of idee. De woorden 'Jan' en 'dokter' krijgen bijvoorbeeld een plek in de ruimte. Wat er tussen Jan en de dokter gebeurt of besproken wordt, wordt dan weergegeven aan de hand van deze plekken, daarmee diverse voornaamwoorden bepalend.
Bijzondere werkwoordsvormen
Omdat binnen gebarentaal gewerkt kan worden met ruimte en richting, kan informatie aan een werkwoord worden toegevoegd die bij gesproken taal niet mogelijk is. Gebarentaal kent daarbij het onderscheid tussen congruerende, directionele, locatieve en niet-congruerende werkwoorden. Congruerende werkwoorden kunnen informatie geven over wie iets met wie/wat doet. Dat kan in de vorm van een directioneel werkwoord, waarbij de richting van het gebaar en soms de handvorm veranderen. Bijvoorbeeld met de bewegingsrichting bij het werkwoord ‘geven’, wordt duidelijk wie wat aan wie geeft. Bij locatieve werkwoorden geeft de plaats in de ruimte deze extra informatie. Niet-congruerende werkwoorden kenmerken zich doordat zij op een specifieke plaats gemaakt moeten worden, bijvoorbeeld 'begrijpen' wordt gebaard naast het hoofd. In dat geval kan het hulpwerkwoord ‘op’ worden toegevoegd om de 'wie-begrijpt-wie/wat' informatie te geven. Bij congruerende werkwoorden kan 'op' alsnog worden gebruikt om extra nadruk te leggen.
Vingerspelling
Vingerspelling wordt in gebarentalen gebruikt als een hulpmiddel voor het spellen van namen of woorden waar nog geen gebaar voor bestaat. In het verleden werd het gebruik van vingerspelling gezien als een bewijs dat gebarentalen slechts vereenvoudigde versies zijn van gesproken talen. Maar dat is vergelijkbaar met beweren dat het Nederlands geen echte taal is omdat het onomatopoëtische woorden bevat. Soms ontstaan nieuwe gebaren, waarbij een handvorm uit de vingerspelling als basis wordt gebruikt, bijvoorbeeld de letter T die in het woord thee wordt gebruikt. Zowel persoonlijke als algemene namen die vaak gespeld moeten worden, kunnen een eigen gebaar krijgen. Zo is er speciaal voor bijbelnamen een lexicon bijbelnaamgebaren samengesteldHet oudst bekende handalfabet werd in de 8e eeuw beschreven door de Engelse Benedictijner monnik Beda. Hij schreef: Voorts kan datgene wat ik heb opgetekend naar mijn mening een zekere vingerspraak worden gevormd, zowel ter oefening van het verstand als bij wijze van spel.
Gebarentaalontwikkeling
Omdat gebarentaal een natuurlijke taal is, ontstaat hij vanzelf waar veel doven bij elkaar zijn. Twee generaties is vaak voldoende om een nieuwe gebarentaal te laten ontstaan. Dit kan dus telkens opnieuw gebeuren en elke nieuwe gebarentaal is daarbij anders. De twee meest voorkomende manieren waarop dovengemeenschappen ontstaan, zijn in dorpen met een erfelijke vorm van doofheid en rond dovenscholen.
Dorpsgebarentalen
Dorpsgebarentalen komen wereldwijd voor in een klein aantal dorpen met een zeer geïsoleerde ligging. Door deze ligging is het contact met andere gemeenschappen minimaal, waardoor een eventuele erfelijke doofheid veel in het dorp blijft voorkomen. Door het hoge aantal doven binnen zo'n gemeenschap, wordt de gebarentaal vaak ook gesproken door de horenden. Belangrijk kenmerk van de nu bekende dorpsgebarentalen is het feit dat ze taalkundig gezien anders zijn opgebouwd dan de "reguliere" gebarentalen; de talen en de gemeenschappen waarin ze voorkomen zijn dan ook zeer regelmatig onderwerp van bijvoorbeeld sociolinguïstische studies[8]. Binnen de taalkunde wordt een dorpsgebarentaal een isolaat genoemd. Een beroemd voorbeeld van een dergelijke gemeenschap was Martha's Vineyard een eiland voor de kust van de Verenigde Staten. De gebarentaal die daar gesproken werd (MVSL) is nu uitgestorven, maar heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de Amerikaanse Gebarentaal (ASL).
Dovenscholen
De oudste dovenscholen ontstonden in de 18e eeuw. Als eerste in Frankrijk en in 1790 in Nederland. Deze scholen zijn nog steeds te herkennen als bron voor afwijkende gebarentalen of gebarendialecten in een bepaald gebied. Verspreiding van letteralfabeten, gebaren en grammatica vond veel plaats door uitwisseling tussen deze scholen. Omdat de Fransen de eerste waren hebben zij een belangrijke invloed gehad op latere West-Europeese gebarentalen. Deze specifieke ontwikkelingsroute van gebarentalen heeft ook als gevolg dat de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk beide als spreektaal Engels hebben, maar ieder een eigen gebarentaal.
Taalfamilies
Er worden in het algemeen, onder andere door het vergelijken van verschillende gebarenschatten, de volgende gebarentaalfamilies onderscheiden:
- Gebarentalen met een sterke historische band met de Franse Gebarentaal (LSF):
- De Franse Gebarentaal (LSF), de Amerikaanse Gebarentaal (ASL), de Vlaamse Gebarentaal (VGT), de Nederlandse Gebarentaal (NGT), de Ierse Gebarentaal, de Frans-Belgische Gebarentaal (LSFB).
- Gebarentalen die gebruikt worden in vele landen van het Gemenebest van Naties:
- De Britse Gebarentaal (BSL), de Nieuw-Zeelandse Gebarentaal (NZSL) en de Australische Gebarentaal (Auslan).
- Gebarentalen met een historische band met de Japanse Gebarentaal:
- De Japanse Gebarentaal, de Taiwanese Gebarentaal, de Koreaanse Gebarentaal.
Gebarentalen en gesproken talen
| Regio | Gebarentaal | Gesproken taal | ||
|---|---|---|---|---|
| Vlaanderen (België) | VGT | Vlaamse Gebarentaal | Vlaamse GebarenTaal | Nederlands |
| Nederland | NGT | Nederlandse Gebarentaal | Nederlandse GebarenTaal | Nederlands |
| Wallonië (België) | LSFB | Frans-Belgische Gebarentaal | Langue des Signes de Belgique Francophone | Frans |
| Frankrijk | LSF | Franse Gebarentaal | Langue des Signes Française | Frans |
| Verenigde Staten | ASL | Amerikaanse Gebarentaal | American Sign Language | Engels |
| Verenigd Koninkrijk | BSL | Britse Gebarentaal | British Sign Language | Engels |
| Duitsland | DGS | Duitse Gebarentaal | Deutsche GebärdenSprache | Duits |
| Zwitserland | DSGS | Zwitserduitse Gebarentaal | DeutschSchweizer GebärdenSprache | Zwitserduits |
| Oostenrijk | ÖGS | Oostenrijkse Gebarentaal | Österreichische GebärdenSprache | Duits |
| China | CSL | Chinese Gebarentaal | Chinese Sign Language | Chinees |
Hierboven enkele van de 121 bekende gebarentalen van dovengemeenschappen. Hoewel gebarentalen net zoals gesproken talen per land (kunnen) verschillen, zijn de overeenkomsten tussen de diverse nationale gebarentalen veel groter dan tussen de overeenkomstige gesproken talen. Tussen gebarentaal en gesproken taal is er sprake van een omgekeerde relatie tussen de functie van gebaar en spraak.
- Gebarentaal is opgebouwd rond gebaren/ lichaamstaal en gebruikt spraakafzien als mogelijke, maar niet noodzakelijke, ondersteuning.
- Gesproken taal is opgebouwd rond klanken en gebruikt gebaren/ lichaamstaal als mogelijke, maar niet noodzakelijke, ondersteuning.
Deze omgekeerde relatie en de visuele en ruimtelijke eigenschappen van gebarentaal brengt een aantal vertaalproblemen en misverstanden met zich mee.
Gebarentaal niet makkelijk of universeel
Een klein aantal gebaren worden door horenden, doven en in verschillende landen gebruikt. Bijvoorbeeld de duim omhoog voor 'goed', of de vlakke hand langs het voorhoofd voor 'warm'. Veel gebaren uit gebarentaal zijn "logisch" of "intuïtief" Enkele voorbeelden van "logische" gebaren:
- Auto: draai met twee handen aan een denkbeeldig stuur;
- Bus: idem, maar het stuur is groter;
- Jagen: doe of je een geweer vasthoudt;
- Parijs: maak een Eiffeltoren: vingertoppen tegen elkaar, handpalmen net niet tegen elkaar;
Iemand die de gebarentaal zelf niet kent en een doventolk aan het werk ziet, zal dergelijke gebaren snel herkennen. Hetzelfde gebeurt als men een onbekende taal hoort met ondertiteling: af en toe herkent men een woord. Ook gezichtuitdrukkingen en lichaamstaal die bij gebarentaal gebruikt worden roept herkenning op. Daarmee is echter niet gezegd dat gebarentaal makkelijk is of universele kwaliteiten heeft. Een enkel woord of een enkele klank maakt immers nog geen taal. Dat sommige gebaren en gezichtsuitdrukkingen herkenbaar zijn wil niet zeggen dat dat altijd en overal hetzelfde is. Ook gebaren die horenden gebruiken verschillen van land tot land. Zo is de duim naar boven in Nederland een liftgebaar, in Iran een obsceen gebaar en bij duikers betekent het 'naar boven'.
Andersoortige woordenboeken
De traditionele formules voor een woordenboek zijn om verschillende redenen bij gebarentaal niet goed bruikbaar. Gebarenwoordenboeken hebben naast een omschrijving in woorden een visuele toevoeging en zijn steeds meer visueel opgebouwd. Hiervoor zijn er drie gangbare methoden:
- (een serie) foto’s of tekeningen met bewegingsaanduiding, vooral gebruikt in traditionele papieren woordenboeken
- een filmopname van het gebaar, mogelijk geworden door de opkomst van onder andere DVD- en internetwoordenboeken.
- SignWriting een notatiesysteem verwant aan dancewriting en movementwriting, dat o.a. gebruikt wordt bij het Woordenboek Vlaamse Gebarentaal
Lange tijd waren gebarenwoordenboeken vooral een eenzijdige woordenlijst Gesproken taal-Gebarentaal. Problematisch voor een woordenboek vanuit gebarentaal is dat gebaren van oudsher geen afgesproken alfabetische volgorde hebben. Daar de verschillende elementen van een gebaar tegelijkertijd plaatsvinden is het ook moeilijk om te bepalen wat het beginelement en daarmee de zoekingang van een dergelijke woordenlijst zou moeten zijn. Anno 2008 worden twee aansluitende oplossingsstrategieën gevolgd. Enerzijds door een afgesproken volgorde van gebaarelementen, anderzijds door gebruik te maken van de interactieve mogelijkheden van moderne technologie. Het Vlaams Gebaren Woordenboek gebruikt bijvoorbeeld een combinatie van drie zoekelementen: handvormen gerangschikt naar aantal gebruikte vingers, een te selecteren plaats waar en de manier waarop het lichaam wordt aangeraakt. De juiste combinatie van deze gebaarelementen geeft de vertaling.
Extra ruimtelijk taalgevoel
Naast de normale topografische herkenning door de rechter hersenhelf, maakt een gebarentaalspreker voor gebaren vooral gebruik van dezelfde linkerhersengebieden als bij gesproken taal. Daarmee hebben gebarentaalsprekers een extra buitengewoon verfijnde ruimtelijke representatie, die niet vergelijkbaar is met het ruimtelijk idee van mensen die geen gebarentaal gebruiken. De ruimtelijk organisatie wordt beter; zoals in het herkennen en benoemen van voorwerpen, mentale rotaties, vormpercepties, ruimtelijke indeling, het ontleden van bewegingen en gezichtsherkenning. Er is sprake van een verhoogde gevoeligheid van een zintuig (zien) én een uitgebreidere verwerking van de informatie daarvan. [2] Dit verschil in ruimtegevoel vormt een belemmering in het goed begrijpen en spreken van gebarentaal door bijv. horende tolken of postlinguaal doven, en vindt zijn tegenhanger in de rol van absoluut gehoor bij toontalen.
Afwijkende tijdsduur
Vertalen van gesproken naar gebarentaal loopt qua tijd niet synchroon. Onbekende namen kunnen in gesproken taal snel gezegd worden en worden in gebarentaal gespeld. Daarentegen kunnen bepaalde gesproken zinsconstructies, met één (samengesteld) gebaar gezegd worden. Waar in het begin van een gebarengesprek meer tijd wordt ingenomen voor het ‘definiëren van de ruimte’, wordt deze tijd gecompenseerd doordat in het vervolg van het gesprek minder verwijzende- of voornaamwoorden nodig zijn.
Verschil in woordgebruik en volgorde
De woordvolgorde in gebarentaal verschilt wezenlijk van die van gesproken taal, ook worden sommige gesproken woorden niet of weinig gebruikt. Deze kenmerken zie je vaak terug als gebarentaalsprekers gaan praten en schrijven. Dit vertaalprobleem wordt helaas vaak begrepen als een algemene taalachterstand bij de gebarentaalspreker.
Incomplete gebarentalen
Gebaren bij plots- en laatdoven
Postlinguaal doven (ook bekend als plots- en laatdoven) gebruiken een communicatievorm, waarbij de gesproken taal wordt ondersteund met gebaren. Het gezegde wordt zo "zichtbaar" gemaakt. Het verschil met gebarentaal is dat hier juist de grammatica van de gesproken taal wordt aangehouden, want voor postlinguale doven is en blijft de gesproken taal de moedertaal. In Nederland en Vlaanderen heet deze communicatievorm NmG (Nederlands met Gebaren).
Gebarentaal binnen een familie
Het komt ook voor dat er binnen een familie een eigen gebarentaaltje wordt gebruikt, doordat de (horende) ouders van het dove kind nooit de gangbare gebarentaal hebben geleerd. Deze vorm wordt "Home Sign" genoemd.
Gebaren bij verstandelijk gehandicapten
Bij mensen met een verstandelijke handicap komt nog een ander soort gebarentaal voor, genaamd SMOG (Spreken Met Ondersteuning van Gebaren). De gebaren zijn zeer simpel en kunnen dus aan bijna iedereen aangeleerd worden.
Gebarentaal in horende gemeenschappen
Er zijn ook gebarentalen ontwikkeld in horende gemeenschappen. Bij de Indianen van de vlaktes van Noord-Amerika en de Aborigines in Australië werd gebarentaal gebruikt om te kunnen communiceren met mensen van stammen die een andere taal spraken. Deze gebarentalen worden Plains Indian Sign Language (PSD) respectievelijk Australian Aborigines Sign Language (ASW) genoemd. In deze context is ook een geval bekend van een stam waarbij de vrouw na overlijden van familie een jaar niet mocht spreken; om die periode te overbruggen had men er een gebarentaal ontwikkeld.
Binnen kloostergemeenschappen is dit gebruik van gebarentaal ook bekend in zogenaamde kloostergebarentalen. Monniken die een gelofte van stilte hebben afgelegd, kunnen gebarentaal gebruiken om toch te kunnen communiceren. Binnen deze Monastic Sign Language (MZG) worden vijf dialecten onderscheiden gerelateerd aan verschillende kloosterorden.
Gebarensystemen in horende situaties
Soms worden eenvoudige gebaren ontwikkeld in situaties waarin praten niet praktisch is, bijvoorbeeld bij het duiken, in filmstudio's, op luidruchtige werkplekken, tijdens de jacht. Dit zijn echter eerder gebarensystemen, en geen echte talen. Horende mensen gebruiken ook gebaren bij lichaamstaal ter ondersteuning van het gesproken woord.
Bronnen
Nederland
- Nederlands Gebarencentrum (landelijk expertisecentrum gebarencursussen)
- Nederlands Beroepsvereniging Tolken Gebarentaal (NBTG).
Bron: wikipedia/Internet




