De communicatie
Mensen die doof of slechthorend zijn, of een communicatieve beperking hebben communiceren veelal anders dan mensen met visuele, lichamelijke of geestelijke handicap.
Vaak wordt door de eerste categorie een meer visuele vorm van communicatie gekozen. Voor doven en slechthorenden is dat meest de Nederlandse Gebarentaal, voor de andere groepen kunnen het vormen van Gebarentaal zijn, of gesproken Nederlands met ondersteuning van gebaren.
Dit kan betekenen dat in contact met mensen die geen gebarentaal beheersen, of gebaren kennen de communicatie moeizaam verloopt.
Vaak is spraakafzien (wat vroeger liplezen genoemd werd) nog een optie.
Wanneer het bijvoorbeeld gaat om paardrijden of de verzorging van paarden of pony's, kunnen er lastige situaties ontstaan.
Het volgen van lessen in groepsverband zal moeilijker zijn dan individuele lessen. De uitleg van de instructeur zal moeilijk of soms zelfs geheel niet te volgen zijn.
Doven en slechthorenden zullen moeite hebben met het spraakafzien op afstand, afhankelijk van waar de instructeur staat.
De instructeur die gewend is zijn of haar stem te gebruiken zodanig dat deze verstaanbaar is voor anderen komt nu niet goed over.
Op een bewegend paard te zitten en te kijken naar de instructeur vraagt veel inspanning. Daarbij komt dat de balans tussen de dove of slechthorende ruiter en het paard nog niet altijd optimaal is waardoor het achterom, vooruit, opzij moeten kijken wat er in de omgeving van de les gebeurt een extra opgave is voor de ruiter. Dit alles vraagt heel veel concentratie.
De onzekerheid van doven en slechthorenden kan ontstaan door verschillende factoren:
- Door een wat lastiger de sociale omgang met de groep.
- Door het verkeerd begrijpen van de instructeur.
- Door een te grote groep.
- Door het afgeleid worden door ruiters die zelfstandig rijden.
De instructeur dient er voortdurend op te letten hoe en waar doven en slechthorenden moeten rijden. Een van de belangrijkste oorzaken van het maken van fouten is het verkeerd aangeleerd gedrag bij het paardrijden.
Vaak is het verkeerd aangeleerd paardrijden het gevolg van verkeerde communicatie tussen de instructeur en de dove of slechthorende ruiter.

De basistermen zoals stap, draf, galop, dressuur, springen, teugels, benen, begrijpt men nog wel. Maar als de instructeur probeert uit te leggen welke fouten worden gemaakt, stokt de communicatie, met als gevolg dat niet duidelijk wordt, wat de fouten waren en hoe deze verbeterd kunnen worden.
Dit wordt mede veroorzaakt door het feit dat de instructeur niet in staat is, door beperkte communicatiemogelijkheden, direct feedback te geven op het moment waarop de fout gemaakt wordt.
Daarom is het van groot belang dat een kleine groep met dezelfde handicap les krijgt van een instructeur die de gebarentaal volledig beheerst, zodat deze groep de ruimte krijgt om zich helemaal te kunnen ontplooien.




